Care sheet Ranitomeya ventrimaculata

 

Beschrijving:

Ranitomeya ventrimaculata (Shreve, 1935) heeft een drietal evenwijdig lopende oranjerode strepen op de rug. De middenste begint tussen de ogen en eindigt op het achterlichaam. De andere strepen lopen vanaf de liezen over de ogen en komen samen op de neus. Alle drie de strepen lopen achter op het lichaam over

in de nettekening op de flanken en poten. Een streep in dezelfde roodoranje kleur loopt over de onderlip tot aan de bovenkant van de bovenarmen. De nettekening op de buik, flanken en poten is erg fijn en blauwgrijs tot grijs van kleur. De keel is geheel roodroze of slechts roodroze aan het uiteinde met de rest van de keel voornamelijk zwart van kleur. De roep is een snel zoemend geluid.

De naamgeving van deze soort heeft een zeer verwarrend verleden. Eerst door Shreve (1935) beschreven als een ondersoort van Dendrobates minutus, later door Silverstone (1975) als synoniem van Dendrobates quinquevittatus. In 1982 schreef Myers dat D. quinquevittatus uit vijf verschillende soorten bestond, en in 1990 vonden Caldwell & Myers dat geen van die vijf soorten eigenlijk de echte D. quinquevittatus was. De kikker in kwestie is daarna door Schulte (1999) beschreven als Dendrobates duellmani. Grant et al. (2006) plaatste deze kikker in het geslacht Ranitomeya. Na het lezen van Shreve’s beschrijving van Dendrobates minutus ventrimaculatus en het onderzoeken van het type materiaal, was J.L. Brown (Brown et al. 2011) verrast dat ze identiek bleken aan R. duellmani zoals beschreven door Schulte (1999). Met ventrimaculatus als eerst beschikbare naam bleek R. ventrimaculata de juiste naam te zijn voor deze dieren. De naam R. duellmani is hierbij komen te vervallen. Wanneer precies de verwarring is ontstaan tussen R. ventrimaculata en R. variabilis, zoals we die nu kennen, is onbekend. Voor informatie over dieren die tussen 1987 en 2010 bekend waren als R. ventrimaculata, zie R. variabilis en R. amazonica. Overigens zijn er populaties van

gestreepte R. reticulata die niet of nauwelijks van R. ventrimaculata te onderscheiden zijn. Dit, in combinatie met de grote overlap in verspreidingsgebieden tussen deze zeer nauw verwante soorten, geeft voldoende

ruimte voor discussie waar het gaat om de validiteit van R. ventrimaculata als soort. Brown et al. (2011) stellen voor dat beiden soorten separaat blijven tot er meer data beschikbaar is.

 

Verspreidingsgebied:

Het verspreidingsgebied van R. ventrimaculata reikt van de Amazone regenwouden van Colombia (Dept. Amazonas), zeer waarschijnlijk tot over de Braziliaanse grens, via Ecuador (Prov. Napo, Orellana, Pastaza, Sucumbíos), tot in Peru (Dept. Loreto). R. ventrimaculata komt in het verspreidingsgebied soms sympatrisch voor met R. variabilis, R. reticulata, R. uakarii, R. toraro, Allobates zaparo, A. femoralis, A. trilineatus, Ameerega bilinguis, A. parvula, A. trivittata en A. hahneli. De type lokaliteit is “Sarayacu, Ecuador”.

 

Natuurlijke habitat:

Het habitat kenmerkt zich als onverstoord primair regenwoud met een diepe laag bladafval en lichte tot matige ondergroei. Ze komen hier voor in een vrij lage dichtheid, meestal foeragerend tussen het bladafval, soms klimmend op stronken tot een meter hoogte. Bromelia’s op de bosbodem zijn op veel locaties afwezig, maar wel aanwezig in de boomtoppen.

 

Gedrag:

Roepende mannetjes evenals mannetjes met larven op de rug, werden gevonden tussen het bladafval. Waar ze in de natuur hun legsels en larven afzetten is onbekend.

 

Geografische variatie:

Nabij Río Nanay, ca. 40 km ten westen van Iquitos, Loreto, en de Río Momón nabij Iquitos komen populaties voor die de streep in het midden van de rug missen. Enige tijd deed er een ongepubliceerde naam voor deze dieren de ronde; R. callegari, vernoemd naar M. Callegari. De dieren bleken na onderzoek echter geen nieuwe soort, maar een afwijkend gekleurde variant van R. ventrimaculata.

 

Voorkomen in gevangenschap:

R. ventrimaculata is in kleine aantallen aanwezig binnen de Europese gifkikkerhobby. De oorsprong is in veel gevallen waarschijnlijk van illegale herkomst. Toch hebben er mogelijk in het verleden weldegelijk legale importen van deze soort plaatsgevonden onder de namen D. ventrimaculatus of D. quinquevittatus (namen waar destijds erg veel verschillende soorten onder schuil bleken te gaan en geïmporteerd zijn). Of de dieren binnen de hobby van meerdere locaties afkomstig zijn is niet bekend. De handel in R. ventrimaculata wordt toegestaan.

 

Verzorging en kweek:

In gevangenschap is deze soort goed per koppel of in kleine groepen te houden. De dieren zijn van nature echte bodembewoners, maar de beperkte hoogte die we de dieren in gevangenschap bieden wordt volledig benut. Een koppel is goed te houden in een bak van 40 × 40 × 40 cm groot. Voor kleine groepjes is het van belang de dieren van een verhoudingsgewijs groter bodemoppervlak te voorzien. De temperatuur dient overdag 25 tot 27°C te zijn, waarbij de temperatuur ’s nachts enkele graden mag dalen tot 22 á 23°C. Dagelijks een keer sproeien houdt de vochtigheid voldoende hoog, mits de bak verder is ingericht met een keur aan vochtabsorberende materialen. Gedurende de dag mag de luchtvochtigheid variëren van 70 tot 100%. Een klein waterdeel is optioneel maar zeker geen noodzaak. De inrichting kan verder bestaan uit bladafval op de bodem, stukken hout, enkele bromelia’s, en verscheidene andere planten naar keuze. De bromelia’s zorgen met hun waterhoudende bladoksels voor mogelijke legplaatsen. Kunstmatige legplaatsen kunnen in de vorm van filmkokertjes verticaal in de bak geplaatst worden. Onderin de kokertjes dient een laagje water te staan. Eieren worden in gevangenschap afgezet in deze bromeliaoksels of filmkokertjes vlak onder het wateroppervlak. Gedurende 12 tot 16 dagen ontwikkelen de eieren zich, waarna de uitgekomen larven door het mannetje op de rug weggebracht worden. De larven worden naar waterhoudende filmkokertjes en/of bromeliaoksels gebracht waar ze per stuk worden afgezet om kannibalisme te  voorkomen. Kunstmatige opkweek kan plaatsvinden door de legsels in petrischalen te plaatsen met een klein beetje water om uitdroging te voorkomen. Op dezelfde temperatuur als de ouderdieren zullen de eieren zich dan goed kunnen ontwikkelen. Nadat de larven zijn uitgekomen moeten de larven apart worden

opgekweekt wegens kannibalisme. De metamorfose zal enigszins temperatuursafhankelijk na 2 tot 3 maanden plaatsvinden. Met voldoende goede voeding groeien de dieren binnen 6 tot 8 maanden op tot geslachtsrijpe dieren.

 

Voedsel:

Volwassen dieren kunnen gevoerd worden met allerlei kleine geleedpotigen zoals fruitvliegen, bladluizen en springstaartjes. Jonge dieren hebben heel klein voer nodig zoals kleine fruitvliegen en springstaartjes, maar eventueel ook kleine bladluizen die geselecteerd kunnen worden door de bladluizen te zeven. Larven kunnen gevoerd worden met een mix aan visvoeders en bijvoorbeeld muggenlarven.

 

Bron DN